Nunspeet
School
Onder de vluchtelingen waren veel kinderen. Die moesten ondanks de oorlog natuurlijk wel naar school! In eerste instantie werden de kinderen ondergebracht op Nederlandse scholen, maar al spoedig raakten die overvol. Een bijkomend probleem was dat veel kinderen alleen maar Frans spraken.
In de vluchtoorden werden daarom scholen voor de kinderen ingericht. Veel onderwijzers en leraren waren ook gevlucht, dus aan Belgische meesters en juffen was geen tekort.
Er werden vooral lagere scholen ingericht. Voor de kleintjes tussen de 3 en 6 jaar waren er crèches en bewaar- of kleuterscholen. Na het beëindigen van de lagere school konden de kinderen naar een vakschool of naar een middelbare school. Op de vakscholen leerden de kinderen timmeren, kantklossen, smeden, breien of beeldhouwen.
Belgische kinderen waren leerplichtig tot 14 jaar, maar al spoedig werd deze leeftijd in de vluchtoorden opgeschroefd naar 16 jaar. Men wilde geen jongentjes die kattenkwaad uithaalden op de straten van de vluchtoorden of in de bossen. Voor hardleerse spijbelaars waren er speciale tuchtklassen.
Diploma's werden uitgereikt door de "Centrale Commissie voor het Onderwijs aan de Uitgewekenen". Deze commissie verzorgde ook de organisatie van het onderwijs en de lesmaterialen.
Beeldhouwen aan de vakschool in vluchtoord Nunspeet, 1918.
Veel Belgische kinderen waren nog nooit naar school geweest, veel volwassenen echter ook niet of ze hadden maar heel weinig onderwijs gehad. Daarom gingen veel van hen 's avonds ook naar school om te leren lezen en schrijven of naar de vakschool om een beroep te leren.
Vier keer per jaar werden examens bij de kinderen en de volwassenen afgenomen. Aan het einde van het schooljaar waren diploma- en prijsuitreikingen. Kinderen die heel erg hun best hadden gedaan konden prijzen winnen. Van het werk van de leerlingen werden af en toe tentoonstellingen gehouden. Heel goede leerlingen konden betaalde opdrachten krijgen.
|